Column

Mijn jonge oom

In het voorjaar van 2015 overleed mijn ‘jonge oom’ in een Belgisch ziekenhuis aan de gevolgen van uitgezaaide prostaatkanker. Ik noemde hem mijn jonge oom omdat wij slechts 10 jaar scheelden. Ik sprak hem niet heel vaak, maar nadat hij de diagnose kanker had gekregen, belden we regelmatig. Hij vroeg me om informatie voor hem op te zoeken en ik luisterde naar zijn plannen voor wanneer hij weer beter zou zijn. Dat 100 procent beter worden geen optie meer was, drong niet door. Mijn jonge oom bezocht verschillende artsen, die allemaal dezelfde boodschap voor hem hadden. Een boodschap die hij niet wilde horen. Ondertussen verstreek kostbare tijd. De therapie die hem steeds werd aanbevolen, weigerde hij uit angst voor de bijwerkingen. Voor zover ik weet is mijn jonge oom nooit een gesprek met een psycholoog aangeboden. Ik moet een slag om de arm houden, want ik sluit niet uit dat hij dat zou hebben geweigerd. Maar wat had het een wereld van verschil voor hem en voor ons kunnen maken, als iemand hem na die allereerste verpletterende boodschap had kunnen helpen om zijn ziekte en zijn angst een plaats in zijn leven te geven.

Hij zou in ieder geval beter voorbereid zijn gestorven.

Toen ik kort na zijn overlijden voorzitter werd van de werkgroep Psychosociale zorg bij ingrijpende somatische aandoeningen hoefde dan ook niemand mij meer uit te leggen wat het belang hiervan is. Ik was blij toen in 2017 maar liefst 17 projecten subsidie van Zorginstituut Nederland kregen om ervoor te zorgen dat er bij ernstige ziektes voldoende aandacht komt voor psychosociale zorg. Binnen al deze projecten gingen artsen, verpleegkundigen en patiënten samenwerken. In dit tijdschrift passeren die 17 projecten de revue. Uit de interviews wordt duidelijk dat heel veel ernstige en chronische aandoeningen een enorme impact hebben op het leven van grote én kleine mensen. Mensen zijn kwetsbaar in hun liefde voor hun kinderen, of proberen zich juist groot te houden tegenover de buitenwereld. Mensen vinden het moeilijk om verlies een plek te geven en kunnen zich niet altijd gemakkelijk aanpassen aan een veranderd toekomstperspectief. Mensen zijn tenslotte maar mensen, zeker als ze ziek zijn. Laten we daarvoor steeds oog houden, want dit blijft belangrijk. De 17 projecten zijn nu namelijk wel afgerond, maar het werk gaat door. Diana Delnoij, Zorginstituut Nederland