Dialoog­model: ‘Wat je loslaat, is het gevoel dat de dokter het ‘t beste weet’


Edwin Jansen is sport­orthopedisch chirurg in het Zuyderland Medisch Centrum in Oost-Limburg. Hij is een van de 120 artsen en verpleegkundigen die een training kregen in het Dialoogmodel. In dit model, dat is ontwikkeld in de jeugd-GGZ, draait alles om het samenspel tussen patiënt en behandelaar. Samen onderzoeken zij wat helpt en wat tegenwerkt voor de best mogelijke behandeling.

Ze kijken naar de volgende aspecten: relationele stijl, emoties, gedachten, evenwicht, lichaam, gedrag en omgeving. Op basis van de uitkomsten maken ze samen een plan om de behandeling (weer) goed op de rit te krijgen. Eerst was hij sceptisch, maar nu is Edwin enthousiast. ‘Met het Dialoogmodel maak je bespreekbaar wat er nog méér speelt dan alleen de fysieke klachten. Door alles te benoemen wordt de relatie met je patiënt beter, merk ik. Wat je loslaat, is het gevoel van: the doctor knows best. Het wordt echt een gezamenlijke beslissing. De therapietrouw verbetert ook, want de patiënt staat er meer achter. Dit maakt mijn werk leuker.’

‘Fijn dat u in ieder geval begrijpt hoe ik me voel’ Hoe gaat een gesprek in de spreekkamer volgens het Dialoogmodel? Een voorbeeld: een 17-jarige jongen heeft al lange tijd extreme pijn in zijn rechterknie, zonder aanwijsbare aanleiding. De jongen wil profvoetballer worden. Tot voor kort trainde hij drie keer per week en speelde elk weekend een wedstrijd. De jongen komt bij de orthopeed om te kijken wat er aan de hand is en hoe hij van de pijn af kan komen. Vroeger zou de arts hebben gezegd dat een operatie geen optie is omdat er geen letsel is en zou de jongen hebben doorgestuurd naar de fysiotherapeut. Die zou de spreekkamer verlaten hebben met het gevoel dat de dokter hem niet echt heeft begrepen.


Met het Dialoogmodel kan het gesprek als volgt gaan: (vragen naar de relationele stijl) Arts: ‘Hoe zou je jezelf omschrijven?’ Patiënt: ‘Ik ben een enorme doorzetter. Ik heb weinig geduld, wil dingen altijd zelf doen. Ik vraag niet gauw om hulp. (spreken over emoties) Arts: ‘Hoe voel je je nu?’ Patiënt: ‘Ik voel me enorm gefrustreerd en boos. Dat niemand me kan helpen. Vroeger was ik altijd optimistisch, nu zie ik het vaak niet meer zitten’. (spreken over gedachten) Arts: ‘Waar denk je vooral aan?’ Patiënt: ‘Ik wil een kijkoperatie. Ik wil van de pijn af, desnoods gaat mijn been eraf. Zo is mijn leven niets waard.’

(spreken over evenwicht) Arts: ‘Je voelt je niet in balans, begrijp ik.’ Patiënt: ‘Totaal niet. De pijn bepaalt alles. Daar krijg ik stress van en ik kan niks doen. Dat maakt de pijn alleen maar erger, lijkt het. Daardoor kan ik nóg minder.’ (spreken over het lichamelijke aspect) Arts: ‘Uit mijn onderzoek blijkt dat er geen letsel is en je hebt een normale gewrichtsfunctie. Wel is er sprake van spierzwakte van je bovenbeen- en bilspier en een verminderde beweeglijkheid van de knieschijf.’ Patiënt: ‘Ik ben al eerder naar een ziekenhuis geweest, maar nergens komt iets uit. En fysiotherapie helpt niet. Ik voel me gewoon niet serieus genomen.’

(spreken over gedrag) Arts: ‘Wat kun je nog wel en wat lukt niet meer?’ Patiënt: ‘Ik kan niet meer voetballen, maar gym en fietsen gaat ook niet eens. In school heb ik geen zin meer en ik kan me nauwelijks concentreren op huiswerk.’ (vragen naar omgeving) Arts: ‘Wat vinden je ouders ervan? En je vrienden?’ Patiënt: ‘Mijn vader brengt en haalt me van school. Ze waren enorm betrokken bij mijn voetbal, maar zij voelen zich ook machteloos. We hebben veel discussies thuis, ruzies. Mijn vrienden zoek ik steeds minder op, ik ben toch niet gezellig. En hun geduld met mij raakt een beetje op.’ Arts: ‘Dit heeft dus een enorme impact op jullie allemaal, dat snap ik. Je hele leven stond in het teken van voetbal en nu is er alleen nog maar pijn. Maar weet je, een kijkoperatie gaat niets opleveren. Ik heb een beter advies.’

Patiënt: ‘Wat dan?’ Arts: ‘Ik stel voor dat je met ons revalidatieteam aan de slag gaat. Je moet niet door de pijn heen, maar juist geleidelijk aan opbouwen en breder kijken naar alles wat je helpt en wat niet. Meer balans op alle vlakken – school, thuis, sport – en daarmee de pijn verminderen. Dat vraagt acceptatie, en dat is niet makkelijk, maar zij kunnen je daarbij helpen. Zo kan de doorzetter en optimist in je weer naar boven komen.’ Patiënt: ‘Dat wil ik wel proberen. Als opereren niet helpt, zal ik zelf iets moeten doen. Fijn dat u in ieder geval begrijpt hoe ik me voel.’ Arts: ‘Kom je nog even terug als het beter gaat? Of slechter?’ Patiënt: ‘Ja, dat zal ik zeker doen.’


Tekst: Margriet Veldhuis | Illustratie: Bjorn Nelissen